1. Tango van de ziel

De eenzaamheid is bij me ingetrokken.

Onaangekondigd en zonder geluid

heeft ze zo langzaam aan mijn hele huis betrokken

En nu vraag ik me af: Hoe krijg ik haar eruit?

Ze zegt niet veel, ze is hier zonder woorden

maar mengt zich desondanks in elk gesprek.

Ze kijkt me grijnzend aan tussen de vuile borden.

En met de fles op tafel maakt ze me langzaam gek.

 

  Verdwijn uit mijn leven

mijn ziel schreeuwt het uit.

De stilte in het huis doet pijn

jank oude tranen in mijn wijn,

met haar wil ik niet samen zijn.

Mijn hart ligt in stukken

en mijn hoofd raakt verdoofd

met nog een glas, vooruit nog één

neem me maar mee, waar dan ook heen

maar laat me niet   met haar alleen.

 

2. De avond valt, geen vrienden te bekennen

Het boek is uit, de bodem al in zicht.

Voorzichtig, op de tast ga ik het huis verkennen

en zie dan in de spiegel een glimp van haar gezicht.

Ik kijk haar aan, met aarzelende ogen.

Zij is niet bang, maar ik ben als de dood.

Ze staat daar als een sfynx, zo koel en onbewogen.

Ik kan haar niet ontlopen, ze is mijn lotgenoot.

 

B. Kom binnen, ga zitten

mijn onverwachte gast

hier is mijn tafel en mijn wijn

breng mij jouw donkere geheim

en leer me hoe ik vrij kan zijn.

En laten we dan dansen

deze tango van mijn ziel.

Jij leidt mijn lichaam door de nacht.

Ik volg jouw passen en ik wacht…

…..tot we ons zelf  vergeten zijn.

 

3. Ik kijk haar aan en vraag: wat wil je drinken?

Ik schenk de rode wijn uit in haar glas.

Want als het zinkend schip dan toch moet zinken,

dan liefst maar met z’n tweeën ten onder in ’t moeras.

Na ’t tweede glas is al het ijs gebroken.

We hebben geen geheimen voor elkaar.

We worden laveloos, we zuipen en we roken.

Als oude zielsverwanten gaan we straks uit elkaar.

 

B Kom binnen, wees welkom

mijn onverwachte gast.

Hier is mijn tafel en mijn wijn

breng mij jouw donkere geheim

en leer me hoe ik vrij kan zijn.

En laten we dan  dansen

deze tango van mijn ziel.

Jij leidt mijn lichaam door de nacht.

Ik volg jouw passen en ik wacht…

…..tot we ons zelf vergeten zijn.

© Marlous Lazal

2. Daar waar de vogels wonen

Zondags ging ik bij je langs,

met bloemen en verhalen

Andre Rieu speelde een wals

jij zweeg in alle talen.

De woorden waren zoekgeraakt

je keek met lege ogen

‘k heb je gezicht zacht aangeraakt

je leek zo weggevlogen.

 

B  Naar waar de vogels wonen,

de witte bomen bloeien,

Daar waar de avondzon

de oranje kers laat gloeien,

daar woont mijn moeder nu.

 

2. Ik las een zin uit een gedicht

over de engel en de troost

die glimp van licht op je gezicht

maakte me sprakeloos.

Zo samen in aanwezigheid

er hoeft niets te gebeuren

Zijn, terwijl de tijd verglijdt

de wolken traag verkleuren.

 

B. Daar waar de vogels wonen,

de witte bomen bloeien,

Daar waar de avondzon

de oranje kers laat gloeien,

daar woont mijn moeder nu.

Geen oude koeien uit de sloot,

geen ruzies, geen verwijten.

Jouw moeder ging al heel jong dood

dat wilde maar niet slijten.

De wereld bleef een angstig oord

ondanks je strijdlust en je moed.

Je hoopte op dat ene woord

Je bent al goed.

 

3. Een gieter tranen sprenkel ik

over het nieuwe leven,

jouw naam in gouden letters

in de groene steen geschreven.

Moge je nu geborgen zijn

en veilig, zonder angsten

Verlost van al je duisternis

waar liefde en waar licht is.

© Marlous Lazal 2016

3. Scheveningse dromen

Scheveningse dromen

uit een ver verleden.

Tussen oude bomen

glijdt hier zacht lijn negen

om bij zee te komen.

Geur van zout en bloesem in de nieuwe lente

brengt herinneringen aan jouw jonge jaren,

klein en argeloos.

 

Alles was eenvoudig.

Helder als de hemel.

Licht als het verhaaltje

dat je zus vertelde

voordat je ging slapen.

Over zachte dromen

die snel zouden komen

en je lieve moeder die over je waakt.

 

B. En de zee zingt haar naam

in de golven klinkt zachtjes,  Maria.

De herinnering laat haar nog leven

Zij is Maria, de ster van de zee.

Roep haar naam, roep haar naam!

En ze zal je in liefde ontvangen.

Ze omhelst jouw verdriet en verlangen

en dan voor heel even wordt zij weer mama.

 

2. Scheveningse dromen

uit een ver verleden.

Waar is toch je chique,

gele tram gebleven?

waar de oude Seinpost?

Met die rode banken,

waar jouw moeder  zwierend,

walste op de klanken

van de pianola, tot het ochtend werd.

 

Was het maar weer lente.

Rook je maar die bloesem,

licht als het verhaaltje dat je zus vertelde

voordat je ging slapen.

Over zachte dromen

die snel zouden komen

en je lieve moeder

die over je waakt.

 

B. En de zee zingt haar naam

in de golven klinkt zachtjes,  Maria.

De herinnering laat haar nog leven

Zij is Maria, de ster van de zee.

Roep haar naam, roep haar naam!

En ze zal je in liefde ontvangen.

Ze omhelst jouw verdriet en verlangen

en dan voor heel even wordt zij weer mama.

Marlous Lazal 2017

Wij bleven altijd staan

Ik ben onderweg naar een dorp in de boomgaard

om jou toch tenminste nog een keer te zien.

Het is stralend weer, de natuur staat op springen

ik wist niet dat jij hier

ik had niets voorzien….

Jouw bakker, jouw kerk en het huis van jouw ouders

waar jij vaak zo bang was en het bos daar vlak bij.

Jij reed hier vast langs toen je moeder gebeld had

Je vader had toen ook….

Je vader en jij.

 

B. Je bent eruit gevallen

Je bent gewoon gegaan

Verdomme man,

Dat was toch niet de afspraak?

Wij zouden altijd blijven staan

Wat er ook gebeuren zou,

hoe erg, hoe zwaar, hoe duister

Wij bleven altijd staan.

 

2. ‘Bereid je maar voor’, werd ik al gewaarschuwd

Je schijnt onherkenbaar veranderd te zijn.

Waar een bord in de tuin staat met koperen letters

daar ben ik nu welkom en daar zal jij zijn.

De deur geeft al mee en ‘De Heer is mijn herder’,

klinkt hier door de speakers, dat is echt niks voor jou.

Dan zie ik je liggen, om je hals zit een sjaaltje

Je kan het wel hebben maar je lippen zijn blauw.

 

B. Je bent eruit gevallen

Je bent gewoon gegaan

Verdomme man,

Dat was toch niet de afspraak?

Wij zouden altijd blijven staan

Wat er ook gebeuren zou,

hoe erg, hoe zwaar, hoe duister

Wij bleven altijd staan.

 

3.Wat heb je gedacht in die donkere uren?

Welk touw, welke knoop, wat voor stoel zet ik neer?

Hoe lang zal het duren voordat ik het licht zie?

Eén met de stilte en één met de Heer?

Je speelde patience in die duistere nachten

Jij maakte de regels,  jij koos de stations

maar waar waren wij in jouw laatste gedachten?

Of was er gewoonweg geen plaats meer voor ons?

© Marlous  Lazal

Zij van het Noorden     

Zij van het Noorden

Zo zuinig met woorden

Uit het land waar rivieren

slechts traag willen stromen

en haar wilde dromen

in tijdloze dagen

en asgrijze wolken

worden gesmoord.

 

B. Hier wil ze niet blijven

hier wil ze niet sterven

om straks in die zompige klei te bederven

Hier wil ze niet blijven

hier wil ze niet sterven

ze wil gaan leven,

zonder reserve.

 

2. Zij van het Noorden, met haar zeeblauwe ogen,

gaat zonder retour naar het zingende Zuiden.

Langs droge rivieren en bloedende bruiden

Om vuur uit de machtige aarde te stampen.

haar bittere tranen te laten verdampen.

Met handen als waaiers vangt ze de hemel.

Haar driftige voeten bezweren de hel.

Zo wil ze leven

hier wil ze sterven.

 

C. Ze waant zich La Niña del Albaicín

die s’nachts bij ‘t Alhambra

hoog boven Granada,

haar zeeblauwe vuur aan zigeuners laat zien.

Of Carmen uit Lorca’s flamenco gedicht.

die danst door Sevilla, als een wilde Medusa.

Meisjes, doe de gordijnen dicht.

Meisjes, doe de gordijnen dicht.

 

3. Maar dan komt haar man

en haar man die heet Jan.

hij wil dat ze mee gaat.

Mee terug naar de zee gaat

Naar ‘t land waar haar wieg staat

En hij voor haar door het vuur gaat.

En ze danst voor het laatst

op haar bloedrode schoenen.

Straks pakt ze haar hart

in een koffer vol heimwee

en gaat terug naar de Noordzee.

de veilige haven

zal haar weer omarmen

en ’t vuur lijkt gedoofd.

 

B. Maar zal ze  daar blijven?

Zal ze daar sterven?

Of zal ze  weer leven?

en weer gaan zwerven?

 © Marlous Lazal 2016